Waarom ik hou van de maandelijkse telefoontjes van de Volkskrant

volkskrant

Ik ben een vredelievende jongen. Maak zelden ruzie, doe geen vlieg kwaad en spinnen zet ik gewoon in een theekopje buiten de deur. Maar ook ik moet soms stoom afblazen.

Eens per maand wordt mij die kans geboden. Gratis en voor niks. Vanuit Amsterdam word ik dan opgebeld door de Volkskrant. De jonge, veel te vrolijke telemarketeer vraagt altijd eerst of hij met mij spreekt. Dan voel ik het al opkomen, borrelen vanuit de onderbuik. Hoe de pet ook staat, ik antwoord daarop altijd bevestigend met een kort Ja, waarna ik contact probeer te maken met mijn opgepotte woede van afgelopen maand. Eens kijken wat er zit.

Ondertussen volgt er aan de andere kant van de lijn een korte samenvatting van mijn (recente) geschiedenis met de krant, en of ik niet eens een nieuw abonnementje wil proberen, het is immers al weer een tijdje geleden, waarbij de marketeer halverwege het resumé vaak casueel (“zeg trouwens”) vraagt “of hij gelegen belt”. Als ik de connectie met mijn razernij dan nog niet gemaakt heb, is dit vaak de laatste duw die ik nodig heb.

Wat volgt is een beschaafde tirade gericht op de agressieve guerrillamarketing van de krant, die natuurlijk (en Godverdomme) nooit tot meer lezers gaat leiden, en er in mijn geval alleen maar voor zorgt dat ik de rest van mijn leven mijn reet zal afvegen met Sir Edmund. Meestal verwijst de marketeer in kwestie me dan rustig door naar het #belmenietregistermaartochstiekemwel en mijn #rechtvanverzetmaarboeiuh. Als ik dan zeg dat ik al een langlopend abonnement heb op beide, maar dat de bezorger die nooit bezorgt, is dat voor de marketeer meestal het sein om begrip te tonen voor mijn situatie en naar een oplossing te zoeken.

Soms (als de woede in mij beperkt is) vraag ik dan om zijn privénummer zodat ik hem kan terugbellen, op een moment dat het hem ook niet schikt (dank Ronald Goedemondt). En dan hang ik op. Maar meestal gebruik ik dit moment om mijn opgestapelde negatieve energie echt volledig de vrije loop te laten om de marketeer plus zijn (al dan niet tijdelijke) beroepskeuze COMPLEET TOT AAN DE GROND TOE AF TE FIKKEN in bewoordingen die ik vaak achteraf niet meer kan herinneren (de zogenaamde waas). Mijn vriendin wel.

Soms wordt de marketeer zelf ook boos; ik heb hem dan óók contact laten maken met zijn innerlijke woede. Dan hang ik gelijk op, dit scheldmomentje is voor mij alleen. Verbinding maken met zijn eigen negativisme doet hij maar als het NRC hem belt. Maar meestal antwoordt de marketeer op rustige wijze volgens het antwoordschema dat voor hem ligt met “dat hij mijn woede begrijpt” waarna vaak freestylend wordt toegevoegd dat hij het ook niet prettig vindt om geïrriteerde bellers te woord te staan. Ik schakel dan wat terug en vertel hem dan dat hij dit werk niet HOEFT te doen. Waarna, en dat is echt ongelogen, de meeste marketeers mij toevertrouwen dat ze “hun job veel te leuk vinden om ermee te stoppen, omdat ze ook heel veel inspirerende gesprekken voeren.” Ik vraag dan altijd wat hun antwoord zou zijn als dit gesprek niet zou worden opgenomen voor trainingsdoeleinden, maar dat verandert vaak niks aan de zaak.

Wel is de angel uit mijn woede gehaald, en als het me gelegen komt stel ik vaak nog wat triviale vragen, zoals leeftijd, studiekeuze en woonplaats. Om dan midden in een antwoord op te hangen, omdat hij niet moet denken dat we vrienden kunnen worden. Na afloop voel ik me sereen. Helemaal klaar voor de maand die komen gaat.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.