Babygebabbel #5: a-weema-weh, a-weema-weh

We hadden laatst een feestje. Bij onze camper. Vanwege onze verjaardagen, maar vooral vanwege onze dochter. Het werd een knalfuif.

Die camper hebben we al een jaartje. Een Fiat Ducato uit 1988, om precies te zijn. Gekocht drie weken nadat we middels de plastest hadden geverifieerd dat mijn vriendin zwanger was. Het kwam redelijk onverwacht. Dat zwanger worden. En na een himmelhoch reikende roze wolk, kwam al vrij snel de weersomslag bij mij. Want leuk en aardig, dat vader worden, maar waar blijft mijn leven dan? En mijn vrijheid? Dat ik kan doen en laten wat ik wil? Kan vertrekken op elk gewenst moment? Niet vast zit aan de eeuwigheid van een kind?

Voorgoed en voor altijd gebonden…

Op een goede, slapeloze nacht heb ik toen in een waas van blinde paniek een camper uitgezocht op marktplaats en de aankoop erdoorheen gedrukt bij mijn eega. Ik zag mezelf al tussen de gebroken nachten, poepluiers en papadagen in door de week een dagje, of twee, eropuit trekken. Mijn laptop en mijn werk nam ik met me mee. Het gezin liet ik even de boel, en en passant bedacht ik ook nog een nieuwe naam voor ‘papadag’.

Mijn vriendin vond dit allemaal prima. “Want dat soort dingen kun je heus nog wel doen hoor, ook als de baby er is.”

Ik weet, geen goedkope manier om je pardoes verloren gevoel van vrijheid te herwinnen. Maar het werkte. Daarvoor hoefde ik niet eens echt alleen met de camper op weg. De zekerheid dat de mogelijkheid er was, dat er altijd een dieseldampend huisje op wielen op me stond te wachten waarmee ik groen linksaf kon afslaan wanneer ik maar wilde, dat was geestelijke ruimte genoeg. Miljoenenaankoop geslaagd dus.

Daar deden achtereenvolgens en binnen 3 maanden een kapotte versnellingsbak, een doorgeroeste lager van het rechterachterwiel en een lege accu niks aan af. Plus recent een ontplofte koelkast.

Want het feestje vond plaats in een park. En die hebben over het algemeen geen vrij toegankelijke elektra-aansluitingen. Maar het bier moest wel koud. Dus probeerde ik op de feestelijke vooravond voor het eerst of de gasfunctie van de koelkast van onze 31 jaar oude camper het deed. Flesje aansluiten. Gaskraan open. Paar keer op het ontstekingsmechanisme drukken. En boem! Een dikke vette ontploffing, gevolgd door een giftige rookwalm.

Snel snelde ik naar buiten, om al rap te constateren dat er vlammen uit het luchtfilter bij de koelkast kwamen. In de consternatie vergat ik dat we rechtsvoor in de camper een brandblusser hadden liggen (weliswaar uit 1979), maar bevriezen deed ik in deze verhitte situatie verder allerminst. Al moord en brand schreeuwend rende ik door de straat, en bonsde ik op elke voorhanden deur en ieder naburig raam. Dat hielp, want vrij direct kwamen er vrijwilligers met emmertjes water de straat op en was de brand in een mum van tijd meester gemaakt.

Nadat ik de gasfles had afgekoppeld en had geconstateerd dat de schade op het oog meeviel, keerden mij gedachten terug. En de eerste was: gelukkig leeft mijn dochter nog. Terwijl die 400 meter verderop rustig aan de linkerborst van mijn vriendin hing. Maar toch de gedachte: gelukkig leeft mijn dochter nog.

En zo besefte ik exact een jaar na mijn paniekaankoop dat ik inderdaad voorgoed en altijd gebonden was. Ik rende naar huis. Rukte mijn dochter van de inmiddels rechterborst van mijn vriendin, droeg mijn Google Home mini op om de Lion King (haar momentele lievelingsalbum) via Spotify te streamen om bij de eerste klanken en haar gapend grote lach in dikke tranen uit te barsten.

Fuck vrijheid.
A-weema-weh, a-weema-weh.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.