Babygebabbel #4: Naar het zwembad

Ik was jarig. Nog keurig netjes binnen de dertiger jaren gebleven. Als cadeau wilde ik babyzwemmen met mijn dochter. Dat liep uit de hand.

Altijd heb ik op z’n minst sceptisch gestaan tegenover mensen (ouders) die de vraag “Hoe was je vakantie?” beantwoordden met “De kinderen hebben het heerlijk gehad. Dus wij ook.” Ik zag het overal om me heen gebeuren. Gewone mensen betraden het rijk der ouders, en ineens werd hun eigen levensgeluk niet meer intrinsiek aangezwengeld, maar leek het enkel te bestaan bij de gratie van het geluk van hun kind. Duizenden voorbeelden zijn hiervan te noemen. Met het antwoord op de vraag van mijn vriendin wat ik wilde voor mijn verjaardag (te weten: “Ik wil babyzwemmen, want dat gaat mijn dochter echt te gek vinden”) ben ik vrees ik ook definitief overgestapt naar de andere zijde.

Maar fuck it. Want niks maakt een jarige vader zo extrinsiek gelukkig als zijn 4 maanden oude dochter in een totaal overbodig, maar superschattig badpakje op vrijdagochtend haar eerste voorzichtige baantjes zien trekken in een chloorarm en bloedheet babybassin. Natuurlijk, dit was een babyactiviteit, geen volwassen intervaltraining van 3 x 400 meter op tempo D2, net buiten de anaerobe zone. Dus er was een kring met ouders en baby’s, en er waren liedjes met dansjes in het water, en we moesten achter elkaar onder een regenboog van foam door loopzwemmen terwijl we uitgenodigd werden om een zwemversje op te dreunen.

Maar alles mocht, dus ook onttrekken aan de groepsactiviteit. We zochten een hoekje uit, en zagen dat onze dochter het helemaal te gek vond om rond te dobberen in deze reuzensurrogaatbaarmoeder. Zienderogen kwam ze na een reis van vier maanden weer thuis.

Ik pakte mijn waterdichte telefoon erbij. Dit moest natuurlijk vereeuwigd worden. Er zat ook een fotografe aan de waterkant die was ingehuurd om privékiekjes te maken van een deelnemende baby, dus we dachten dat het wel OK was om tegen alle moderne privacyregels in te gaan.

Na afloop was ik eerder klaar met omkleden dan mijn dochter en vriendin. Ik stond casual tegen een kleedhokje aangeleund door de zojuist gemaakte foto’s heen te scrollen, toen er een mevrouw op me afkwam.

“Wat bent u aan het doen?”
“Ik ben foto’s aan het bekijken. En u?“
“Ik kreeg net een melding dat er een man aan het filmen zou zijn in het kleedgedeelte.”
“Oh, echt? Ik sta hier al een tijdje maar heb niemand gezien. Waar precies?
“Uhm, nou die melding ging over u meneer.”
“Oh…”
(Dreun. Gevolgd door vijf seconde stilte, met 100 scenario’s die door mijn hoofd flitsen. Gevolgd door mentale herpaking.)
“Maar ik bekijk foto’s van mijn dochter die net heeft gezwommen. Kijk maar. Lief he?”
“U mag helemaal geen foto’s nemen tijdens het zwemmen.”
“Die mevrouw langs de kant deed dat ook.”
“Die had toestemming gevraagd aan de groep.”
“Maar niet aan mij.”
“U was zeker te laat.”
“Ja.”
“Laat me die foto’s eens zien dan?”

En de vrouw reikte naar mijn mobiel. Godskolere, het zweet brak me uit. Gelukkig kwamen mijn vriendin en dochter net de hoek om gelopen. En was het misverstand redelijk snel rechtgezet. Maar dit had ook heel anders af kunnen lopen. Want het is niet eenvoudig, om man te zijn in deze tijd. Net zo makkelijk word je aangezien voor een kleedkamerperverseling, of erger nog: een zwembadpedofiel, en zit je opgescheept met dit scenario:

“Laat me die foto’s eens zien dan?”
(rukt telefoon uit mijn hand)
“Is dat wel echt u dochter?”
“Ja, tuurlijk.”
“Maar ze lijkt helemaal niet op u. Voor geen meter.”
“Dat weet ik, maar daar kan ik toch niks aan doen?”
“Waar is uw zogenaamde dochter nu dan?”
“Bij mijn vriendin, om de hoek, bij het aankleedkussen.”
“Daar ben ik net geweest, daar was niemand.”
“Ja, maar….mevrouw. Het is echt míjn dochter. En ik ben geen viezerik. Echt niet.”
“Meneer, misschien beter als u met me meeloopt. Dan gaan we even iemand bellen.”

En voor je het weet word je tien minuten later onder het toeziend oog van tientallen zwembadmobieltjes geboeid afgevoerd in een geblindeerde politieauto met tralies tussen jou en de bestuurder, blijk je toch niet de vader van het kind te zijn, had je vriendin het “al die tijd al geweten”, heeft ze je het ouderlijk gezag ontnomen middels een gerechtelijk bevel, en zit je je halve leven te brommen achter slot en grendel. Lucia de B.-style.

En dan maar hopen dat er genoeg burgers zijn die het de moeite waard vinden om je dossier te heropenen.

Nee lekker, zo’n altruïstisch verjaardagscadeau. Volgend jaar kies ik gewoon weer voor mezelf. Vier karmelietjes, inclusief glas, een delletje speciaal en twee uur vrije tijd. Intrinsiek heeft een man niet meer nodig dan dat.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Babygebabbel #4: Naar het zwembad

Babygebabbel #3: de Heilige drie-eenheid

Laatste hoorde ik iemand met twee kinderen (mijn zus) zeggen: “Weet je, samen naar de supermarkt is tegenwoordig al een uitje voor ons.” Kolderiek? Valt reuze mee.

Voor ons is getweeën naar de appie of Jumbo gaan helaas geen optie, we laten onze boodschappen namelijk bezorgen (handig én goed voor het milieu, want het gele busje moest toch al ongeveer in onze straat zijn). We besloten daarom tot een lunch om na de hectische eerste 10 babyweken nader tot elkaar te komen.

We hadden een op(p)a(s) en oma ingehuurd en een lunchtentje uitgekozen dat nog nét niet op babyfoonafstand lag. Ik bestelde brood met twee Van Dobben-units, mijn vriendin na lang twijfelen hetzelfde. On the side nam ik een cappuccino met havermelk. Niet om hip te zijn, maar gewoon. Lekker. “Oh, een haverchino”. Zei de serveerster. En ik slikte al knikkend een stukje naar boven geboerde ochtendboterham weg.

Terwijl we daar zaten, zo zonder kind, keek ik uit het raam. Naar links. Ik zag een weg. Auto’s reden voorbij. Fietsers net zo goed. De zon piepte langzaam vanachter een grijs flatgebouw tevoorschijn. Ik zag een vogel. En nog twee. Zonder dat ik er opdracht toe gaf, voelde ik m’n nek automatisch naar rechts draaien. Richting gangpad, waar mijn geest een kinderwagen of wieg, of baby in een box verwachtte. In plaats daarvan zag ik alleen een gangpad. Leeg. Ik keek vooruit. Mijn vriendin had hetzelfde nekeuvel. Alleen dan gespiegeld. Ook zij staarde richting een verlaten doorgang.

Ik ervaar samen een kindje hebben als een huwelijk tussen twee zwaar gelovige mensen. We hebben nu een indirecte connectie, in plaats van een die linea recta verloopt. Vanaf het moment dat de longetjes van onze dochter zich vulden met lucht, zijn we beiden verbonden geraakt met iets dat veel groter is dan wij twee. Met een Godin zo je wilt. Want dat is ze verdomme. Een Godin. Verbinden met haar is een (zachtgekookt) eitje. Makkelijkste ooit gedaan. Want niemand kan zo oprecht schaterlachend aan de dag beginnen, zo hartverscheurend krijsen, zo porseleinvredig slapen, zo stoned worden van borstvoeding en in zo’n prematuur stadium al zo’n volwassen scheten laten als zij. En als mijn dochter me met haar grote wakkere ogen aankijkt dan voelt het alsof ze recht mijn ziel inkijkt, en andersom. Serieus mind- en hartblowing.

Maar er is ook een andere kant: er is namelijk geen ontsnappen aan de drie-eenheid ‘vader-moeder-heilige-dochter’. Alle aandacht en energie is gericht op het slaapritme, de voeding, het gehuil, het gelach, het verschoon en de rest van het algemene welbevinden van onze dochter. Ze is een allesoverheersende Godin. Zelfs als ze er niet is.

Terwijl ik wat verder staar naar een leeg gangpad denk ik terug aan de laatste maand van de zwangerschap. Het was december en fris buiten. Of in ieder geval te koud voor teenslippers. Mijn werk had ik op een laag pitje gezet, we keken eindeloos Netflix en Masterchef Australia (go Sashi!). Ik kookte tussendoor wat, dronk veel speciaalbier, sportte dat er een soort van af en mijn vriendin liet een kindje groeien. We mochten de verplichte kerstdiners zonder enige uitleg overslaan en ik zag wekenlang geen kroeg, bioscoop of ander huis van binnen. We fantaseerden over ons nieuwe leven, namen op 1 januari middernacht een filmpje op voor onze dochter en hadden echt genoeg aan ons tweetjes, en het verwachtingsvol fantaseren over nummer drietje. Onze twee-eenheid was volmaakt.

En nu. Twee maanden later, staren we allebei ruminerend richting leeg gangpad. Geen kind om naar te kijken, op te pakken, te troosten, bij weg te smelten, te observeren en eindeloze analyses op los te laten.

Twee benen verschijnen. Onze koffie. Ik neem een slok van m’n haverchino. Lekker. Ik ontspan. En kijk m’n vriendin aan. Ik weet wat ze denkt, want ik denk hetzelfde en zeg:

“Schat?”
“Ja lieverd.”
“Zullen we het gele busje annuleren en deze week weer gezellig samen boodschappen gaan doen?”

Posted in Geen categorie | Comments Off on Babygebabbel #3: de Heilige drie-eenheid

Babygebabbel #2: over neuspeer en huiltaal

Mijn vriendin heeft de neuspeer ontdekt, das een plastic ding in de vorm van een, je raadt het al, peer, waarmee je snotjes uit de neus van je baby kan zuigen. Ik ken de neuspeer al een tijdje. Hij kwam ter sprake op een zogezegde verrassingsmiddag georganiseerd door vriendinnen van mijn vriendin toen ze 8 maanden zwanger was. De neuspeer werd daar weggehoond, totaal incapabel om om het even welk snotje uit de neus van je kind te vacuümzuigen.

Onze dochter ademende de laatste dagen wat zwaarder, en mijn vriendin zag eens snotjes hangen… Ik dus langs de Kruidvat, ze wilde die neuspeer toch eens met eigen handen proberen. En nu is ze verslaafd, want hij blijkt prima te peren. Elk pulkie wordt vakkundig uit de neus van mijn dochter gezogen, ze krijgen niet eens de tijd om uit te groeien tot een zelfrespecterende hoop snot. De snotjes in de neus van mijn dochter zijn de korstjes aan de arm van mijn vriendin. De puisten op haar neus, de mee-eters op haar wang. ‘De peer geeft me richting aan mijn dag’, hoorde ik haar laatst zeggen. Wie ben ik dan om tussen haar en haar neuspeer te komen? Ons leven is momenteel al ontwrichtend genoeg.

Want je grijpt alle vaten met beide handen aan om stabiliteit, vertrouwen en rust te creëren zo in die eerste turbulente gezinsweken. Mijn vriendin en ik hadden wat dat betreft een vooruitziende blik en hebben ergens eind vorig jaar een cursus babytaal gevolgd. En met taal wordt bedoeld: gehuil. Want praten doen ze dus nog niet in het begin. Huilen is hun enige troef. Het leek ons daarom handig om onze dochter alvast een stap voor te zijn. De methode is bedacht door mevrouw Dunstan. En heet dan ook treffend de Dunstan Babytaalmethode. Het is een Australische vrouw met een absoluut gehoor die absoluut heel goed viool kan spelen. Ook kan ze huiltjes herkennen.

Ze heeft die na uitgebreid onderzoek zelfs in 5 klassen gecategoriseerd: slaap, honger, boertje, ongemak en nog iets. De geluiden die je baby maakt zouden universeel en continentoverschreidend zijn en superhandig als je ze eenmaal doorhebt. Of zoals de website zegt: “Leer de vijf geluidjes herkennen, handel ernaar en geniet van een blije baby!” Zo staat een intens Neh voor honger, een nasaal Auw voor slaap en een repetitief eh, eh, voor ongemak in de vorm van bijvoorbeeld een volgescheten luier. Twee (meer dan uitstekend) afgeronde sociale studies betaalden zich dik uit in de praktijk: we ‘nailden’ de cursus, en wisten op het einde als enige ALLE voorbeeldhuiltjes te herkennen. We voelden ons goed, tikje verheven boven het maaiveld en tevens voorbereid op wat komen zou.

Uiteraard bleek weer eens dat je aan een sociale studie in de praktijk nauwelijks iets hebt. Op het hoogtepunt van het babygehuil, zo’n 2 weken terug, categoriseerden we elke avond dat het een lieve lust was. Cursusaantekeningen werden erbij gehaald, de gratis ‘gehandoute’ flowchart werd minutieus gevolgd, de Dunstan-app met voorbeeldhuiltjes werd gedownload voor extra herkenning, maar elke keer was de conclusie hetzelfde: “Geen idee, ik herken niks. Jij? Of nee, ik herken alles. Maar het zal wel weer honger zijn. Wat een kutcursus was dat zeg.”

Die handvaten gingen dus absoluut de luieremmer in. Die we heel graag milieuvriendelijk zouden willen legen. Doordat we nergens meer komen (in onze auto) dragen we eigenhandig flink bij aan het bereiken van de klimaatdoelen, maar dat wordt volledig teniet gedaan door de enorme pamperberg die wekelijks richting vuilverbrandingsoven gaat. Tips? Graag.

Ondertussen categoriseren we lekker verder, op gevoel en intuïtie. Want dat heeft ons in eerste instantie ook de baby opgeleverd.

Posted in Geen categorie | Tagged , , | Comments Off on Babygebabbel #2: over neuspeer en huiltaal

Babygebabbel #1: ongeveer 2 weken

Ik ben verbannen naar de logeerkamer. Want m’n dochter slaapt al 2 nachten prinsesheerlijk in het grote bed. Op haar rug wil ze niet liggen en in een wiegje al helemaal niet. Daarom ligt ze naast mijn vriendin op haar zij, tegen het advies van de ruglignazi’s van de WHO in. Dat werkt, voor nu.

Haar grootste jetlag is geloof ik weggeronkt. Overdag wordt ze wakkerder en wakkerder. Soms kijkt ze enorm wijs en helder uit haar ogen, vind ik dan. Ik vermoed dat ze een oude ziel is. Of nee, ik weet het wel zeker. Ik hoop dat ze later druïde wordt. Net als ik. Ik hoop ook dat ik later druïde word. Een fijner beroep lijkt me niet te bestaan. Lekker heel de dag buiten in de weer met menhirs en ketels met toverdrank.

Gister hebben we voor het eerst een stukje gewandeld met de kinderwagen, #enormgezinsgelukmomentje. Het was me alleen een raadsel waarom niet heel de buurt gillend van geluk en nieuwsgierigheid de voordeur uitstoof om de mooiste ooit te bewonderen. Hoewel ik natuurlijk al een keer of 23 op en neer was geweest naar het Kruidvat voor zoogkompressen, new born-luiers, kotex-vrouwenproducten, tepelzalf, badolie en 2 krasloten (2 euro gewonnen, of verloren, tis maar hoe half vol het glas is), voelde het alsof ik na een lange winterslaap weer de wei in mocht. Ik bekijk de wereld met net iets frissere ogen, zoals dochter dat met alles doet. Frisse ogen. En volle, zure luiers. Dat vat haar leventje wel samen. En slapen, veel slapen. En vandaag ook veel huilen.

We denken dat ze is aanbeland in de clustertijd, tenminste dat zegt het boekje van het consultatiebureau. Clusteren is dat je baby elk uur om melk smeekt, in plaats van elke twee tot drie. Schijnt normaal te zijn na ongeveer 2 weken, en het duurt ook ongeveer twee weken. Alles duurt ‘ongeveer’ in ouderlijke hulpboeken. Zo raakt geen nieuwbakken ouder ooit echt volkomen in paniek. Twee, vier of zes. Het is allemaal ongeveer 14 dagen. Of anders gezegd: effe doorbijten! Dat is een bortsvoedingswoordgrap. Want dat is naast gezond en bindend voor moeder en kind ook fucking pijnlijk. Wist ik niet.

Elke keer als onze dochter aanlegt voor een drinkbeurt zie ik het gezicht van m’n vriendin vertrekken richting enorme grimas. Die pas 20 seconden later weer verdwijnt. En dat dan 2 (links en rechts!) x 11 = 22 keer per dag. Is 7 min en 20 seconden pure foltering per etmaal. En dan vergeet ik voor het gemak de tepelkloven en stuwende borsten in dit rekensommetje. ‘Weeën kun je tenminste nog opvangen’, zegt m’n vriendin. Ik ken alleen de volkomen nutteloze pijn van 5 km heel hard lopen of een alp opfietsen. Ik weet niks. Ik knik alleen. Terloops wrijf ik even over m’n tepel.

Dan hoor ik de baby huilen. ‘Poepluier’, informeert m’n vriendin me licht dwingend door de babywalkietalkie heen. Ik haast me naar boven. Duty calls.

Meer dan m’n stinkende best kan ik in dit stadium niet doen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Babygebabbel #1: ongeveer 2 weken

Duitse afhaal

Ik werd wakker in een groot Duits bed. Dat is geen metafoor voor iets. Het bed waarin ik wakker werd was gewoon heel erg groot. Ik moest mijn vriendin opbellen om te vragen waar ze deze ochtend uithing, zo groot. Ik had zin. Mijn vriendin ook. En ik wachtte geduldig in het grote bed totdat ze me bereiken zou. Dat waren we telefonisch overeen gekomen. Ik had de zonnigste kant.

Tijdens het wachten krabde ik wat aan mijn achterhoofd. Ik voelde iets. Een verse moedervlek? Een opkomend wratje? Ik dacht aan gister, toen we lagen te relaxen in een bergweide en het zomaar door me heenging: kans op teken.

Na vijf minuten arriveerde mijn vriendin, stipt op tijd. Alvorens van start te gaan vroeg ik haar om eerst even het plekje op mijn achterhoofd te bekijken. De weidegedachte bleek een voorteken.

Ik ben niet verzot op die kleine bloedvergiftigende beestjes, lang blijven hangen doen ze maar aan een struik of een grasspriet. Niet aan mijn nek. Maar we hadden de tekentang vergeten. En het pincet was te riskant, de teek lag namelijk goed verstopt in mijn eeuwige band met haar. Daarom maar de verhuurder van de woning gebeld. Die verwees ons direct door naar een arts. Zo doen ze dat daar bij de Oosterburen.

De lokale geneesdame leek in haar allesverbloemende pastelkleurige gewaad met dito sjaal in niks op een kundige arts, meer op een juf van de lokale Gestaltt-Kindergarten. Dat de uitroeiing van het beestje minder efficiënt ging dan je van een Duitser zou verwachten, verbaasde me dan ook niks. Na 30 keer porren en trekken met een tang en daarna een pincet (hulde aan alle epilerende vrouwen) liet ze mee een heus tekendrama in 15 delen zien. Daarna vroeg ze “Of mijn vriendin auch eben wilde meekucken.” Er was misschien nog wat teek blijven hangen, aber “haar Augen waren niet zo gut mehr.”

Zoals ik al zei: ik heb het niet zo op teken. Er was een tijd dat ik mijn knieholtes en liezen al na een wandeling naar de wc controleerde, bang als ik was dat ze vanuit de schimmel aan de onderkant van de pot richting mijn warme plekjes waren gekropen. De vraag “Of we in het naburige dorp wellicht even bij een chirurg wilde langsgaan, want die kan het vermeende restje teek er zo even snel rausholen”, was in een plotseling opgelaaide oude angst voor Lyme dan ook niet zo heel moeilijk te beantwoorden.

30 minuten later bevonden we ons 3 uur lang in een wachtkamer met louter zieke Duitsers. Daarna mocht ik mijn verhaal doen, en direct half naakt op de operatiebank plaatsnemen. Zo doen ze dat daar bij de Oosterburen.

De arts had besloten om de vermeende resten van de teek er direct uit te snijden. Een dikke spuit kondigde een pijnloze spoedklus aan. Terwijl mijn nek en achterkant hoofd steeds gevoellozer werden, vroeg ik me hardop af wat ik hier in godsnaam deed. “In Nederland hadden ze me al lang naar huis gestuurd. Even aankijken, tweemaal daags controleren op rode plekken, en een prettige dag”, zei ik tegen mijn vriendin die ondertussen maar video-opnames was gaan maken. Ik besloot daarop te volharden. De mensen thuis wilden nu immers ook weten hoe die video afliep.

De operatie was een succes. De arts was niet van half werk, en sneed een stuk vlees ter grote van een Bratwurst weg. Een paar hechtingen en een medische video rijker verliet ik de kliniek. De aangeboden antibiotica liet ik staan. Ik had wel honger. De dag was ook al richting avond aan het gaan.

“Koken?”, vroeg ik.
“Of uit eten”, vroeg mijn vriendin.

Wat dacht je? Precies ja. Teek away.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Duitse afhaal

Waarom ik hou van de maandelijkse telefoontjes van de Volkskrant

volkskrant

Ik ben een vredelievende jongen. Maak zelden ruzie, doe geen vlieg kwaad en spinnen zet ik gewoon in een theekopje buiten de deur. Maar ook ik moet soms stoom afblazen.

Eens per maand wordt mij die kans geboden. Gratis en voor niks. Vanuit Amsterdam word ik dan opgebeld door de Volkskrant. De jonge, veel te vrolijke telemarketeer vraagt altijd eerst of hij met mij spreekt. Dan voel ik het al opkomen, borrelen vanuit de onderbuik. Hoe de pet ook staat, ik antwoord daarop altijd bevestigend met een kort Ja, waarna ik contact probeer te maken met mijn opgepotte woede van afgelopen maand. Eens kijken wat er zit.

Ondertussen volgt er aan de andere kant van de lijn een korte samenvatting van mijn (recente) geschiedenis met de krant, en of ik niet eens een nieuw abonnementje wil proberen, het is immers al weer een tijdje geleden, waarbij de marketeer halverwege het resumé vaak casueel (“zeg trouwens”) vraagt “of hij gelegen belt”. Als ik de connectie met mijn razernij dan nog niet gemaakt heb, is dit vaak de laatste duw die ik nodig heb.

Wat volgt is een beschaafde tirade gericht op de agressieve guerrillamarketing van de krant, die natuurlijk (en Godverdomme) nooit tot meer lezers gaat leiden, en er in mijn geval alleen maar voor zorgt dat ik de rest van mijn leven mijn reet zal afvegen met Sir Edmund. Meestal verwijst de marketeer in kwestie me dan rustig door naar het #belmenietregistermaartochstiekemwel en mijn #rechtvanverzetmaarboeiuh. Als ik dan zeg dat ik al een langlopend abonnement heb op beide, maar dat de bezorger die nooit bezorgt, is dat voor de marketeer meestal het sein om begrip te tonen voor mijn situatie en naar een oplossing te zoeken.

Soms (als de woede in mij beperkt is) vraag ik dan om zijn privénummer zodat ik hem kan terugbellen, op een moment dat het hem ook niet schikt (dank Ronald Goedemondt). En dan hang ik op. Maar meestal gebruik ik dit moment om mijn opgestapelde negatieve energie echt volledig de vrije loop te laten om de marketeer plus zijn (al dan niet tijdelijke) beroepskeuze COMPLEET TOT AAN DE GROND TOE AF TE FIKKEN in bewoordingen die ik vaak achteraf niet meer kan herinneren (de zogenaamde waas). Mijn vriendin wel.

Soms wordt de marketeer zelf ook boos; ik heb hem dan óók contact laten maken met zijn innerlijke woede. Dan hang ik gelijk op, dit scheldmomentje is voor mij alleen. Verbinding maken met zijn eigen negativisme doet hij maar als het NRC hem belt. Maar meestal antwoordt de marketeer op rustige wijze volgens het antwoordschema dat voor hem ligt met “dat hij mijn woede begrijpt” waarna vaak freestylend wordt toegevoegd dat hij het ook niet prettig vindt om geïrriteerde bellers te woord te staan. Ik schakel dan wat terug en vertel hem dan dat hij dit werk niet HOEFT te doen. Waarna, en dat is echt ongelogen, de meeste marketeers mij toevertrouwen dat ze “hun job veel te leuk vinden om ermee te stoppen, omdat ze ook heel veel inspirerende gesprekken voeren.” Ik vraag dan altijd wat hun antwoord zou zijn als dit gesprek niet zou worden opgenomen voor trainingsdoeleinden, maar dat verandert vaak niks aan de zaak.

Wel is de angel uit mijn woede gehaald, en als het me gelegen komt stel ik vaak nog wat triviale vragen, zoals leeftijd, studiekeuze en woonplaats. Om dan midden in een antwoord op te hangen, omdat hij niet moet denken dat we vrienden kunnen worden. Na afloop voel ik me sereen. Helemaal klaar voor de maand die komen gaat.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Waarom ik hou van de maandelijkse telefoontjes van de Volkskrant

Open brief aan vakkenvullers

Beste (met name) mannelijke puber werkend in een van ’s lands supermarkten. Wat kan jij werken. Jij vult vakken als warme broodjes die over toonbanken gaan. Ook al ben je altijd en op elk tijdstip met te veel in een rij, ik mag je graag. Jij en je collega’s zijn de jagers en verzamelaars van de 21e eeuw. Door jullie hoef ik nooit meer mijn eigen voedsel te vangen. Dat scheelt bijvoorbeeld kostbare tijd die ik supernuttig kan besteden aan allerhande moderne activiteiten. Aan Gin-tonic, of Netflix bijvoorbeeld.

Dat harde werken vreet natuurlijk energie. Jij wordt daardoor warm van binnen, en die arbeidshitte wurmt zich door jouw porien naar buiten. Dat geeft niks. Zweten is heel normaal menselijk. Gebeurt ons allemaal. Transpiratievocht is echter geen drinkwater. Dat ruikt naar niks. Zweet is andere koek. Jouw met hormonen verzadigd lichaam stopt dat namelijk vol met andere bestandsdelen, zoals bijvoorbeeld geur. Zweetgeur. Die ruik ik. En ik weet zeker: ik niet alleen.

En jouw werkgeur ruikt niet fris. Matcht niet lekker met de verse pastinaken, gojibessen en blikken knakworst in mijn mandje. En ik wil je er zo graag op attenderen. Maar ja, sociale conventies en persoonlijke lafheid en zo.

Omdat ik geen vakkenvullers in mijn kenniskring heb, hoop ik daarom dat je vader, moeder, tante of overbuurman je dit briefje onder ogen wil swipen. Dan lees je nu dat ik je vraag of jij je eigen rij minimaal eenmaal daags zou willen verlaten, liefst bij aanvang van je dienst, om een clandestien bezoekje te brengen aan de afdeling persoonlijke verzorgingsproducten. Daar staan cilindervormige busjes, gevuld met legio welriekende geuren in sprayvorm. Deodorant heet dat. Doe mij en anderen een groot plezier, en spuit minimaal twee pufjes onder je beide oksels. Daar kikker van je op. En hop, op jacht mag je weer. Dat leuke collega-meisje bij de chipsafdeling zit je trouwens totaal uit te checken. De kust is nu veilig. Vul ook haar vak, zou ik willen zeggen. De condooms liggen naast de wattenstaafje.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Open brief aan vakkenvullers

Boven het maaiveld

d08d38c5700b67084f4039311f383384_500x500_fit

 

Ik heb er moeite mee. Nee, maar echt. Serieuze moeite. Mijn hart zegt: stoppen! Hij is het niet waard. Maar ik weet ook: kort geleden dacht ik daar heel anders over. Door alles wat hij toen deed en is, en ik nooit zal zijn, en eigenlijk ook nooit zou willen zijn, gebeurde iets in mij. Het was lekker. Heerlijk zelfs. Verrukkelijk. Om me onder te dompelen in zijn wereld. Zijn energie. Zijn rücksichtsloze hang naar macht. Hij gaf me moed, inspireerde me. Om ook dingen te bereiken. Grootste dingen. En zelfs over lijken. Meedogenloos te gaan. Richting de top. Richting absolute macht. Tot helemaal bovenaan. Hij liet me met hem meekijken. In zijn wereld, en ik kon me daarin helemaal verliezen. Kon het me voorstellen hoe dat is, als je een deal sluit. Als je je ziel ruilt. Weggeeft aan de duivel, en macht en kracht krijgt in retour.

En het bleef niet beperkt tot die avonden. Want ook ’s nachts reisde hij met me mee. Beleefden we samen duivelse avonturen. En kon ik het ook; mensen voor de trein duwen, lijken maken, en er achteloos overheen stappen. En samen zaten we dan op de top van de Olympus. Voor God, de Goden en niemand bang. Maar overdag, als ik mijn geest had teruggevonden, had losgeweekt uit zijn vergiftigende klauwen, sloeg het wantrouwen me om het hart. Wantrouwen in de mensheid, en vooral in de mens die boven het maaiveld uitsteekt. Presteert. Macht heeft. De duivel zat overal. Verwarrende tijden. Zeg dat. Verwarrende tijden.

En ineens was daar Tom. En het werd lente. Hij liet me zien dat je kracht wel kan combineren met zachtheid. Ferme pedaalslagen en duidelijke taal kan afwisselen met zelfinzicht, relativerende woorden en zelfs nederigheid. Machtig en winnend. En toch liefdevol. Vanuit de berm ver uitgestegen boven het maaiveld. Geen duivel te bekennen. Enkel een Tom; een ontluikende roze tulp.

Hij deed me denken aan die andere Tom. Kirkman. Die als aangewezen overlevende een lijdende natie uit de rouw en angst moet leiden. Tegen wil en dank. Maar ook daar geen sprake van een hels akkoordje. In de verste verte niet. Enkel een integere en liefdevolle leider, krachtig in al zijn onzekerheid. Ja, de afgelopen weken voelde ik dat het toch mogelijk was. Leiden vanuit je hart. En ik voelde dat van mezelf ook weer langzaam opengaan. Ik keek naar TomTom. En zij zorgden ervoor dat ik weer sliep, deden me Frank langzaamaan vergeten.

Frank Underwood. De Washington-schurk in optima forma, de politieke reïncarnatie avant la lettre van Lance Armstrong. De man met wie ik nog niet zo heel lang geleden naar bed ging en weer opstond. Die ik op een voetstuk had gezet. Die ik adoreerde. Een groot leider. Omdat ik dacht dat het niet anders kon. Want wie wil leiden moest toch over lijken gaan? En daar is veel moed voor nodig.

Pfffff…. Zelden zat ik er zo naast. TomTom hebben me de weg gewezen. Gewezen op hoe het ook kan.

Aflevering 53 is 16 minuten aan de gang. Ik doe geen moeite meer. Ik zet hem uit. Misschien voor een andere tijd. De winter bijvoorbeeld. Als het weer koud en nat is. En is de wereld een gure plek, zonder kleurrijke wielrenners, waar figuren als Frank Underwood juist tot bloei komen. En ik ook vatbaarder ben voor hun donkere energie.

Ik schakel een tandje terug naar de tv. Ik zie Tom staan op een podium op een plein. Vol met zachte, lieve mensen die zingen dat Tom een goeie is.

Ja, de duivel is verdreven, en boven het maaiveld ziet het er prachtig roze uit.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Boven het maaiveld

Water, aarde en vuur

Het is 9 uur ’s avonds. We hebben er een behoorlijk avontuur opzitten in het donker. Via weilanden, over akkers en door rietkragen en beekjes. We zijn gestrand in het witte zand, en er brandt een vuurtje voor ons, 20 meter verderop stroomt de Waal heel kalm aan ons voorbij.

“Ik vind dit een echt grote-mensen-avontuur”, zegt mijn nichtje.
“Ik ook”, antwoord ik gemeend.
“Beleef jij die vaak, avonturen?” Vraagt ze aan mij.
“Soms, maar veel te weinig vrees ik.”
“En andere grote mensen, gaan die vaak op avontuur?”

“Nee, de meeste zijn vergeten hoe dat precies moet.”

“Maar het is toch heel simpel: water, aarde en vuur, meer is er niet nodig om iets spannends te beleven”, vervolgt mijn nichtje. “Waarom zien grote mensen dat niet?”
Ik ben even stil, denk na. Deze oer-vraag verdient ook een doordacht antwoord: “Ik vermoed, doordat er een berg met spullen voor staat.”

“Dat snap ik niet.”

“Nou, spullen zijn er heel veel op de wereld. Auto’s, huizen, kleren, telefoons, videospelletjes. Mensen raken in de war daarvan, ze denken dat ze al die spullen moeten hebben om gelukkig te leven. Maar dat is niet zo.”
“Achter de stapel met spullen ligt water, aarde en vuur, toch?” Constateert mijn nichtje zelf. Ik knik en aai over haar bol.

“Dieren, die snappen het wel”, vervolgt ze.
“Klopt”, zeg ik. “Die zijn altijd buiten en hebben geen spullen en een statuspdate via social media nodig voor het verlenen van bestaansrecht.”
“Wat is social media?”
“Oh, niks. Ik bedoel dat dieren het inderdaad wel snappen.”
“Ja, dieren vangen hun eigen eten, dat wil ik ook wel.”

Dan gaat haar filosofische modus uit, en roostert ze een marshmallow, zoals 9-jarigen horen te doen. Ik kijk naar boven, zie de sterrenhemel. Ik kijk voor me uit, naar de kabbelende Waal, het witte zand, en het knetterende vuurtje voor ons: water, aarde en vuur. Mijn nichtje haalt de marshmallow van de stok, en steekt het kleverige ding met veel plezier in haar mond. Dan gaat ze naast me zitten. Ik sla een arm om haar heen.

“Ja, oompje, meer dan dit hebben we niet nodig”, vult ze mijn gedachten feilloos aan.

Alsof wijsheid met de jaren komt.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Water, aarde en vuur

Brandalarm

Vannacht om 00.30 uur ging het brandalarm af. Doet het wel vaker. Het is een beetje een gevoelig apparaat, maar wel functioneel. Wanneer het ons alarmeert, klinkt dat als een lokale, nieuwe eerste maandag van de maand. Systeem is geschakeld met de bovenburen. Het kastje waarmee je het alarmpiepje uitzet hangt bij hen. Sowieso naar buiten dus.

brandweerautoDaar troffen we vier ergensuitdebuurtgenoten en twee vroege scooterramptoeristen. Maar geen bovenburen die hun hol uitkwamen. Kon twee dingen betekenen: ze waren dood, of ze waren niet thuis. We hebben een sleutel van hun deur, maar die paste niet meer. Dus ik belde een van de jongens van boven. Die stond in de rij bij een hippe club aan de Waal. Hij zou direct hiernaartoe komen met de auto en wist 99% zeker dat iedereen weg was. Inmiddels stond de halve straat op straat. En wij bleven laconiek. Want het alarm is in zes jaar tijd ongeveer 102 maal afgegaan, waarvan twee maal een mild keukenongeluk, de rest vals. Statistiek brengt dan rust in je hoofd.

Toen stond daar ineens een oververhit kaal mannetje voor onze neus: de Italiaanse buurman van rechts. Hij bleek brandweerman te zijn (nooit geweten), en ging als een wervelwind allerlei brandweermannenacties uitvoeren, zoals met zijn neus door de brievenbus hangen (niks te ruiken), naar de achterkant van het huis rennen en kijken of daar iets in de fik stond (neen). En zijn collega’ s bellen, plus de vrienden van de politie (wie gaat dat allemaal betalen?). Zo stonden er 8 minuten later (het alarm ging inmiddels 18 minuten af en ook mensen van straten verderop kwamen nu vol plezier en interesse kijken wat er allemaal gaande was om 00.48 uur in de zaterdagnacht) zes brandweermannen, twee politieagenten, een politieauto en een heuse brandweerauto voor de deur. Met bijbehorende zwaai en toeterophef.

Het oververhitte Italiaantje bracht direct in codetaal verslag uit aan de Chef brandweer. Toen hij was uitgestuiterd (zou hij tijdens zijn werk ook zo relax blijven?) vertelde ik ontspannen, want inmiddels oordoppen gevonden, dat een van de buurjongens onderweg was. Hij bevond zich ter hoogte van het Kronenburgerpark. Chef brandweer gaf hem nog twee minuten, dan zou hij de deur inrammen. Dat leek me wat overdreven, zowel reuk als zicht gaven veilige signalen af. Dus ik belde nogmaals om te vertellen dat bovenbuurjongen plankgas moest geven. Zijn vriend de bijrijder zei dat hij nu de hoek om kwam. En dat klopte. De stormram kon de brandweerbus weer in.

De deur werd geopend. Er bleek gelukkig inderdaad niemand thuis te zijn, maar, tot mijn grote verbazing, wel een calamiteit. Het elektrische kacheltje van een (andere) buurjongen was aan blijven staan, en daarop had iets van plastic gestaan, dat was gaan smelten en smeulen. Een giftige geur kwam ons tegemoet toen Chef brandweer de balkondeuren aan de voorkant opende. Ook de vijf overige brandweermannen die op dat moment casual leunend tegen hun rode vehicle heldenverhalen vertelden tegen buurmeisjes in nachtjaponnen, werden hierdoor omver geblazen. Het duurde vervolgens nog 5 minuten voordat het alarm echt zijn mond hield. Daarna keerde de rust weder. En dropen politieagenten, brandweermannen en buurtmeisjes – alleen dan wel gearmd – op kousenvoeten af richting warm bed.

Posted in Geen categorie | Tagged , | Comments Off on Brandalarm