#FB2: Into de kano

Facebook-column 2

108 echte Facebook-vrienden. 18 columnsuggesties.
Net niet gewonnen: Begrafeniskoffie, Afrika en senang
Wel gewonnen: Kano, van Facebook-vriend Stef

Into de kano

Ik had de film Into the wild gezien. Daar peddelde de hoofdpersoon  in een rode kano half Amerika door, zijn vrijheid tegemoet. Ik kreeg ontzettende zin om dat ook te doen.

Ik ging diezelfde avond nog op zoek op Marktplaats. En vond een kano. Een gele. Tegen een schappelijk prijsje, ergens in Zuid-Limburg. In het weekend testte ik ‘m op een rimpelloos watertje in de Ooijpolder. Ik stond te popelen, klaar om de wereld te water te ontdekken. Ik was helemaal into de kano.

Instabiele banaan
Het werd een ramp. Voor ik goed en wel aan varen toekwam, had ik al drie maal een nat pak gehaald. Kano’s staan niet bekend om hun stabiliteit, maar deze was nog labieler dan dat ik in die tijd was. Bovendien was hij te klein (had ik dat niet getest toen ik ‘m kocht?). Toen ik er eenmaal inzat en ook bleef zitten, bleek die kano een soort van spieroprekkend fitnessapparaat te zijn. Varen en stretchten tegelijk. Zo weinig  bewegingsvrijheid zorgde met mijn stramme lichaam al na drie minuten voor slapende benen, al snel voelde ik ze niet meer. Ook andere lichaamsfuncties onder de gordel vielen uit. Tijdens het varen werd het er allemaal niet stabieler op. In het water vallen met twee tijdelijk geamputeerde benen is niet leuk. Ik overleefde het allemaal ternauwernood. Op de kant stond mijn vriendin en keek ernaar. Hoe ik nog vier maal omviel en zes maal de gele drijvend plastic banaan het riet in stuurde voordat ik er na een uur de brui aan gaf.

‘s Avonds heb ik de kano weer op Marktplaats gezet. En verkocht aan een man uit Groningen, met 100 euro winst. Dat dan weer wel.

 

Posted in Geen categorie | Tagged , | Comments Off on #FB2: Into de kano

Afzien voor beginners

Of hoe 4 amateurs een mythische berg beklommen

Fragment uit een nooit gepubliceerd verhaal geschreven ver voor Bert Wagendorp’s succeboek Ventoux.

Op de laatste zaterdag van de Tour komen we aan in Nyons, een middeleeuws stadje in de Provence op een steenworp afstand van de berg. Cadel Evans slaat in Grenoble zijn slag en wij checken in op een familiecamping. Om ons heen vertellen olijfbomen, cipressen, lavendelgeur en een weldadig schijnende zon dat we echt in Zuid-Frankrijk zijn aangekomen. De Hollandse pestzomer ligt voor even achter ons. Na vier dagen camping achten we ons voldoende geacclimatiseerd. Er is genoeg wijn gedronken, kaas gegeten en slaapgebrek opgebouwd om dit verhaal tot een succes te maken. Het wordt tijd om ons 40 kilometer zuidoostwaarts te begeven: naar de Mont Ventoux.

Klaar voor de start

We huren fietsen in Bedoin, want alleen het steilste is goed genoeg voor ons.  Het is een mooie dag, zonnig en een graad of 26. Er staat wel wind, maar insiders weten ons te vertellen dat die uit uitzonderlijk goede richting komt en ons grotendeels in de rug zal steunen. We twijfelen niet aan de goede afloop. Stef en Martijn hebben immers getraind op hun Tacx-rollerband, Maarten heeft voldoende versnellingen en ik heb de beste conditie en de laagste BMI.

De klim

0 minuten:
Ik voel me goed. De zon heeft mijn lichaam een goede warming-up gegeven, de adrenaline doet de rest. Ik voel me zoals vroeger: toen we met de D1 kampioen konden worden of toen ik op mijn crossfiets in de achtertuin van mijn ouders tussen bonen, tomaten en veldsla in gedachten gehakt maakte van Greg Lemond en Pedro Delgado.

2 minuten:
We rijden samen, maar het gaat me te traag.

8 minuten:
Ik word ingehaald door een mevrouw in het roze. Daar baal ik van. Ik haal haar weer in en rijd daarna alleen verder, zonder vrienden. Samen uit doen we wel weer als we thuis zijn.

13 minuten:
Ik rijd Sainte-Colombe binnen, echt steil is het nog niet, maximaal 5.5%. Het is hier mooi: glooiende heuvels en wijnranken geven me het gevoel dat ik een vriendelijk zondagsritje aan het maken ben. Maar als ik naar links kijk en daar in de verte een kale, woeste top zie liggen, weet ik dat het met de gemoedelijkheid weldra over is.

21 minuten:
Het gaat beginnen. De weg maakt een scherpe bocht naar links en ik word het bos ingestuurd: ik stijg met stip naar 10% en zal daar de komende 10 kilometer ook blijven. Van voren verlaat ik het middelste blad en van achteren kom ik verraderlijk dicht bij mijn laatste tandwiel uit. Ik houd er voorlopig nog eentje over: mijn waterdrager, geleerd van tv.

22 minuten:
Maarten Ducrot kan de pot op met zijn waterdrager, ik drink hem nu al op. Ik keek toch altijd al liever naar de Belg. Het bos geeft schaduw, maar daar is al het positiefs mee gezegd. Hart klopt in mijn keel, in mijn hoofd. Ik hijg als een dolle, zweet als een otter en volgens mijn gehuurde fietscomputer rijd ik niet harder dan 9 kilometer per uur. Ik kijk even achterom, geen vrienden.

34 minuten:
Ik beledig hartgrondig de hogere macht. Ik begin mijn ontbijt op te boeren en mijn rug doet aan twee kanten pijn.

50 minuten:
Nog steeds in het bos, waar het asfalt zich zonder al te veel haarspeldbochten een weg naar boven meandert. Ik voel me beter. Mijn hart bonkt minder snel en ik rijd minder langzaam.

60 minuten:
Er staan 12.3 kilometer op de teller. Ik haal renner na renner in, en daar zitten verdacht veel gladde benen tussen. Ik ben goed bezig.

Braakneigingen

Achter mij hebben de twee rollerband-mannen elkaar gevonden. Stef fungeert het eerste uur als voorwiel van de wondertandem, die levensvatbaar is zolang de berg het toestaat. Maarten fietst daar moederziel alleen een flink eind achter. En heeft het zwaar. De eerst zes relatief vlakke kilometers gaan al moeizaam, daar heeft hij last van zijn maag: steken. Dat wielershirt zit ook verdomde strak om zijn goed doorvoede buik. In het bos verlaten de maagklachten hem, maar maakt hij echt kennis met de berg. Twee jaar geleden beklom hij de berg ook al. Met maar 14 versnellingen was het op voorhand een kansloze onderneming, na vier uur kwam hij lopend boven. Nu heeft hij 30 keuzemogelijkheden, maar hij krijgt de pedalen amper rond. Na twee kilometer stopt hij voor het eerst. Daarna stopt hij om de 1.5 kilometer. Twee, drie keer nog, en dan gaat hij er bij liggen: braakneigingen. Hij is ongeveer op de helft.

Alleen nog solisten

Dat is zo’n beetje op de plek waar de wondertandem voor hem het ook zwaar krijgt en uit elkaar dreigt te vallen. De echte Ventoux is behoorlijk andere koek dan de virtuele, zoveel is duidelijk. Hun doel, zonder afstappen bovenkomen, hebben ze al snel gewijzigd in: gewoon bovenkomen. Bij de eerste stop, na ruim acht kilometer, maakt Stef een klassieke valpartij: hij krijgt zijn schoenen niet uit de pedalen geklikt en valt in stilstand om. Na een pauze op de helft neemt Martijn het voorwiel over. Stef kraakt en moet lossen. Hij houdt Martijn echter nog wel in het oog, die blijft een meter of 100 voor hem rijden. En zo fietsen ze het bos uit. Bij Chalet Reynard, het laatste teken van bewoning op zeven kilometer van de streep, verwacht Stef dat zijn voormalige compagnon even een korte pauze houdt, want zelf is hij de uitputting nabij. Tot zijn verbazing fietst Martijn door. ‘Toen knakte er iets in mij, geestelijk brak ik’, aldus Stef. In de resterende kilometers stopt hij om de 1000 meter. Dan is daar eindelijk de finish. De laatste bocht, op 50 meter van de streep. Hij perst nog even alles eruit en zet vol aan. Een van zijn spaken knapt. Hij schrikt, krijgt zijn schoenen weer niet uitgeklikt en valt voor een tweede keer. Met de fiets in de hand en bloed aan zijn arm bereikt hij de eindstreep. Ongeveer vijf minuten na Martijn, die na 2.34 uur de top bereikt.

Gemotoriseerde hulp

Maarten is ondertussen ook boven gekomen, alleen niet op eigen kracht. Nadat zijn braakneigingen net niet in de praktijk zijn gebracht, komt er een ambulance voorbij. Dat is voor hem de druppel. ‘Zo wilde ik niet eindigen. Ik dacht aan het thuisfront, aan mijn Spaanse vriendin. Ik kon niet anders dan de strijd staken en ik heb er vrede mee’, aldus Maarten. Hij zoekt en vindt een Belgische vrouw die zo vriendelijk is om zijn fiets en hemzelf in haar auto mee te nemen naar hogere sferen.

En ik? Ik fiets ondertussen vrolijk verder. Met de meter voel ik me sterker. Ik kom in een flow, schakel zelfs een tandje of wat bij. Pijn aan benen, longen, rug en de rest heb ik wel, maar voel ik niet. Ik voel alleen lichtheid. Mijn hoofd is leeg, zeldzaam stil is het er. Na een half uur vervloekte ik het hogere nog, nu voel ik me dichter bij verlichting dan ooit. Vliegend bereik ik de top, ruim onder de twee uur, 1.52.10.

Posted in Geen categorie | Tagged , | Comments Off on Afzien voor beginners

Juf Ellen en mijn vliegende ego

Geschreven voor InspirationShot.nl

Ik zou eigenlijk met z’n tweeën naar Inspiration Shot 11. Maar mijn date zegde af. Waarvoor ik haar hartelijk wil bedanken met deze column.

Omdat ik geen zin had om in mijn eentje te vroeg te komen, was ik redelijk laat. Ik bestelde snel iets te drinken, en nestelde me veilig achter in de kroeg. Geen date om rekening mee te houden, geen date die de inspiratie direct kapot praat met een analyse van de spreker. Ik hoefde alleen te luisteren en te zijn.

Mijn juffen
Juf Ellen, leerkracht van het jaar, betrad als tweede spreker het podium. En ik werd mee teruggenomen naar mijn basisschooltijd, en de liefde die ik daar voelde. Voor Juf Thea van groep 1 en 2 (kon goed zingen), voor juf Janneke van groep 5 (vaak een doorschijnende blouse) en voor juf Petra van groep 8 (nogal eens een leren broek). Ik was op allemaal verliefd, om uitstekende redenen, al zeg ik het zelf. Maar toch zou ik ze alle drie direct inleveren voor juf Ellen. Niet om haar zangstem of de broek of blouse die ze droeg, maar om de liefde voor kinderen en haar gave om ze werkelijk te zien. Ze kon er prachtig over vertellen. Het kind in mij, diep weggestopt onder een dikke laag maatschappij, schrok wakker bij de aanblik van juf Ellen. En hij wil nog steeds niet slapen. Probeer zo’n fantasie maar eens te hebben als er een date naast je staat.

Pauze
Toen werd het pauze. Het lastige gedeelte van een avond alleen de deur uit. Ik begaf me weer naar de bar, bestelde een dubbele espresso en liep terug naar mijn hangtafel. Casual leunde ik met mijn linkerarm op de tafel, linkerbeen over rechts gekruist, terwijl ik met mijn rechterhand het kopje espresso naar mijn neus bracht, en op professionele wijze mijn reukpapillen kennis liet maken met de koffie. Ik keek eens om me heen en voelde me langzaam maar zeker minder senang worden. Juf Ellen was weg en, ook al is ie dubbel, een espresso is vrij snel op. De WC had ik al bezocht op weg naar de bar. Ik had dus niks meer om me aan vast te klampen.

Helikopter-view
Ondertussen had echt iedereen om me heen het naar z’n zin. Er werd gepraat, gelachen en gedronken. En ik hoorde een helikopter opstijgen. Met mijn ego achter de stuurknuppel. Vanaf een hoogte van drie meter sprak hij me vrij pittig toe: “Daar sta je dan. Jan. Alleen. Ongemakkelijk leunend op de tafel. Roerend met je neus in de koffie. In een poging casual en interessant te lijken. Alsof mensen daar niet doorheen prikken. Ze lachen je uit vanachter hun glazen en gesprekspartners. Loser!” Mijn ego denkt nogal eens dat ik het middelpunt van het universum ben. Is natuurlijk niet waar. Maar het lukt ‘m wel best regelmatig om mij dat te laten geloven, en me rete-ongemakkelijk te laten voelen. Vanavond was ie goed op dreef. Graag was ik gevlucht, zoals de jongen naast mij, die zijn helikopter had neergeschoten door Facebook te openen. Ik heb geen smartphone als reddingsboei. Er zat voor mij dus maar een ding op: blijven staan en voelen.

Loser!
Binnen een halve minuut bereikte mijn ongemak het kookpunt. Mijn ego had de megafoon erbij gepakt: “Loser. Ja jij daar, met die bril! Doe es sociaal!” Riep hij dwars over alles heen. Dat hielp niet om te relaxeren. Maar, ik had er wel genoeg van en besloot mijn ego te negeren. Langzaam voelde ik dat de sociale paniek zakte. En er stapte iemand anders de helikopter in, een veel vriendelijker persoontje. Het was een jongetje van een jaar of 10. Brilletje, gek op leren broeken, en op juf Ellen. En hij zag een man van 33, alleen in een bar tijdens de pauze van een avond vol inspiratie. Het jongetje keek dwars door de man heen, en zag dat hij behoorlijk normale gevoelens had. Hij vond het tranga (ik moest het ook opzoeken thuis) dat hij bleef staan, en riep dat door ego’s megafoon. Het jongetje zette de helikopter daarna aan de grond, en mijn ego trok zich voor even terug in zijn hangar. Gevaar van buiten zit in jezelf. Net als inspiratie.

PS. Wil iemand zo vriendelijk zijn om deze column door te sturen naar mijn date die afzegde. En zet juf Ellen dan gelijk op de CC.

Posted in Geen categorie | Tagged , , | Comments Off on Juf Ellen en mijn vliegende ego

Snotjong

Gepubliceerd in De Pers en Nijmegen Bruist

Ik ga zitten in een vierzitter. Met voor me twee benen die zelfs zittend reiken tot boven de boomgrens. Als ik omhoog kijk, zie ik twee reebruine ogen die me verveeld sensueel aankijken. Ik krijg het op slag warm en kijk snel naar rechts. Een blondine, met de mooiste helblauwe ogen op aarde. Ze kijkt me kort, maar vol ochtendpassie aan. Mijn hart maakt een sprong, staat even stil en slaat daarna op hol. Ik begin te zweten. Weer kijk ik snel weg. Rechts naast mij nu.

Daar zit een Aziatische dame, met een puntgaaf porseleinen huidje van, ik vermoed, Japanse makelij. Ze slaapt, mijn kant op, een oogstrelend schone Oosterse slaap. Ik sluit mijn ogen.

Dit moet de forenzenhemel zijn. Dat kan niet anders. Ik word er bloednerveus van. En voel me acuut bewust van mijn hele voorkomen. Mijn haar, mijn gezichtsuitdrukking, mijn kleren, mijn houding, mijn ademhaling. Alles. Ik wilde eigenlijk een banaan eten. Maar dat voelt nu ernstig voor lul. Dus doe ik wat elke jonge, frisse kerel zou doen in mijn situatie: ik zet mijn koptelefoon op en simuleer een forenzenslaapje.

Het bloed kruipt echter steeds verder waar het niet kan gaan en ik open quasi-nonchalant mijn ogen. Twee paar spiegels van de ziel kijken me indringend aan, en rechts voel ik ook iets prikken. Ik sluit mijn ogen snel weer. Wat is hier in godsnaam gaande? Een Axe-reclame? Ik leg mijn hoofd weer op de hoofdsteun, waardoor mijn neusgaten zichtbaar worden. Dan hoor ik gegiechel. Dwars door de muziek heen.

Mijn pleister!, denk ik verschrikt. Vier dagen geleden was ik bij de dokter om twee wratjes weg te laten halen met vloeibare stikstof. Een goede vriend wees me op een ‘iets’ wat in mijn neus hing, want daar hadden de wratten postgevat. Snel de dokter gebeld en direct een pleister op mijn neus. Die heb ik vanochtend vergeten op te plakken. Nu ben ik in de forenzenhemel. Met twee verkoolde snotjes in mijn neus. Ik sta op en loop weg zonder te kijken. Mijn vader heeft gelijk: ik zal altijd een snotjong blijven.

Posted in Geen categorie | Leave a comment

Hup ome Jan!

Ik was jong, heel jong. Het was in de tijd dat Theunisse en Rooks tezamen naar grote hoogten fietsten. Dat PSV en Nederland het beste balden van Europa. En dat Yvonne van Gennip ijskoningin werd. Ik was nog een neefje, maar ik wilde al oom zijn. Superoom.

Bijna 10 was ik. En ik viel als een blok voor sport, in een tijd dat de tv overdag enkel nog testbeeld of sneeuw produceerde. Sportwedstrijden vormden hierop een uitzondering. Die waren er ook buiten de avonduren om. Mijn jeugd was vanaf het moment dat ik dat ontdekte één grote snoepwinkel. Door weer en wind hing ik zoveel mogelijk voor de tv, en liet vol genot alle sportseizoenen over me heen komen.

Geen obesitas
Maar pas op. Al bankhangend was ik geen pionierswerk aan uit verrichten voor de hedendaagse obesitas-stroming. In tegendeel, sport kijken was zeer gezond voor mij. Want wat ik zag, ging ik doen. Als ik Leo Visser Europees Kampioen zag worden, wilde ik dat ook en trok bij gebrek aan natuurijs mijn blauwe rolschaatsen met gele wielen aan. Op de stoep voor het huis rolde ik dan eindeloos heen en weer. Met een stopwatch in de hand. Tijden schreef ik op, want ik schaatste verschillende afstanden tegen denkbeeldige tegenstanders. Deed ik bij de Tour ook. Mijn vader had een ossenkopstuur gezet op mijn oude rode fietsje en isolatiemateriaal voor verwarmingsbuizen om mijn frame gedaan, zodat het geheel eruit zag als een echte crossfiets. Elke dag fietste ik de etappe uit de Tour na, door de immense achtertuin die voor een kind zo groot was als de Alpen en Pyreneeën bij elkaar. In gedachten versloeg ik Greg Lemond en Pedro Delgado met minuten verschil. Ik heerste tussen de bonen, tomaten en veldsla.

Olympische droom
Ik had ook een Olympische droom. En die ging over de marathon. Want ik wist al dat dat iets heel speciaals was. Misschien had Mart Smeets, toen al 89 jaar, me het verteld. Misschien was ik in mijn vorige leven Griek. Ik zat in ieder geval op het puntje van mijn stoel toen Belayneh Densimo het wereldrecord in Rotterdam aanscherpte tot 2:06:50. Moeiteloos doek ik deze tijd nu op. Ik heb het voor eeuwig opgeslagen. Alleen zijn voornaam moest ik even googlen, op spelling. Natuurlijk trok ik na die race hevig geïnspireerd mijn sportschoentjes aan voor een tochtje door bos en weilanden. En mijn hoofd sloeg weer op hol.

Superoom!
Al hollend rekende ik uit dat ik over een jaar of 15 wel als marathonheld kon deelnemen aan de Spelen. Ik dacht nog wat verder. Mijn zussen zouden dan oud zijn, en dus moeder. Het vaderschap leek me wat prematuur voor de volwassen versie van mezelf: te veel gehuil, te weinig tijd voor sportzaken: ik was een intelligent kind. Maar oom zijn, zag ik wel zitten. Superoom! Van die functie kon ik mij, hoewel ik zelf nog een neefje was, een prima voorstelling maken. Denkend aan al die leuke momenten die ik met mijn ongeboren familie zou gaan beleven draafde ik door. Ik rende en rende en zag het in de verte luid en duidelijk op een spandoek staan: ‘Hup ome Jan!’ Het spandoek werd vastgehouden door twee blondgekrulde neefjes, met drie nichtjes in bloemetjesjurken en twee lichtjes uitgezakte zussen ernaast. Ze stonden opgesteld achter een dranghek, 200 meter voor de finish van de Olympische marathon. Ik naderde hen, zag en hoorde hun hartstochtelijke aanmoedigingen hoog boven iedereen uit en sprintte weg bij mijn directe Afrikaanse concurrent. Op weg naar Olympisch goud. En mijn moeder riep me heel in de verte voor het avondeten.

Een volwassen man
Zaterdagmiddag, half zes. Een man van 31 rent onder tropische omstandigheden tussen pak hem beet 65 andere hobby-atleten een wedstrijdje over 5 kilometer die hem leidt door de ingeslapen wijken van een klein Brabants dorpje. Hij lijdt. De straten zijn verlaten. Nog een kilometer te gaan. Links en rechts wordt hij ingehaald door hijgende en hevig transpirerende mannen. Zelf kan hij er ook wat van, want weer is hij te snel van start gegaan. Zo’n 5 kilometer is ook niet in te delen, doseren is onmogelijk. Zijn longen doen pijn, zijn benen voelen loodzwaar. Even komt het idee in hem op om te gaan lopen. Het idee wint aan terrein, zeker als vlak voor hem een andere man zijn gedachten in de praktijk brengt. Dan ziet hij in de verte een kinderwagen, met daarnaast twee volwassenen en een meisje. En hij ziet een spandoek. Als de man dichterbij komt, hoort hij hen juichen. Hoog boven het volwassen stemgeluid piept een kinderstemmetje verlegen maar vol trots wat er op het spandoek staat geschreven: ‘Hup ome Jan. Hup ome Jan!’ De ogen van de man lopen vol. Hij bevindt zich weer midden in de marathon die hij 20 jaar geleden ook al liep. Bevrijd van alle pijn stijgt hij op en vliegt naar de finish. Hij wint. De volgende dag kijkt hij op internet naar de uitslag: 19e. Maar de man weet wel beter.

Klein geluk zit in olympisch grote dromen.

Heel soms komen dagdromen uit

Posted in Geen categorie | Leave a comment